BACK to Van Overbeek BACK to the exhibition BACK to publications
Olav Cleofas van Overbeek

De Dingen

Deze catalogus is verschenen ter gelegenheid van de tentoonstelling van Olav Cleofas van Overbeek, 5 maart t/m 2 april 2011, en is samengesteld en geschreven door Koen Nieuwendijk. (16 pagina's, 29 afbeeldingen in kleur, ISBN 978 90 70402 36 5)


Er is in de loop der jaren al veel geschreven en gezegd over Olav Cleofas van Overbeek. Zijn schilderijen zijn bescheiden, indringend, vanwege de kloosterachtige concenteratie een subtiele symboliek uitstralend, maar van retoriek is geen sprake. Een ei draagt de gedachte van het leven in zich, čn de vraag hoe het begon. Een ei is tegelijk een natuurlijke volmaakte vorm, waarop zelfs hard licht tot zacht verloop wordt gedwongen. Het is Van Overbeek die daar nog weer iets onuitlegbaars aan toevoegt.

Zoals wij inmiddels weten is wat wij als zien ervaren de resultante van een deels onbewust proces in onze hersenen. Hoe zit dat dan met geschilderde stillevens. In eerste instantie kijkt de schilder naar de opstelling van de voorwerpen. Dit proces herhaalt zich als de toeschouwer naar het schilderij kijkt. Beider hersenen worden aangestuurd door associaties, wensdromen en ervaringen. Ik krijg de neiging te beweren dat er op die manier weinig overblijft van de realiteit, maar dat is te kort door de bocht, want in het dagelijks leven is de som van de individuele waarnemingen toch een vorm van realiteit te noemen, althans men is het er binnen zekere grenzen over eens.

In het geval van schilderijen, laten we het nu even houden bij stillevens, is er echter minstens één aspect dat anders is dan bij het gemiddelde waarnemen: de schilder zoekt in zijn of haar herschepping van de gerangschikte voorwerpen naar een optimum aan beleving, naar een spanning, die aan de opstelling niet is af te lezen, al zijn de wetten van compositie en nog wat praktische regels al van toepassing. Het streven naar dat optimum wordt geidealiseerd, dus hoger aangeslagen dan streven naar stoffelijk voordeel. Van stoffelijk voordeel is bekend dat het ten koste kan gaan van anderen. Is dat ook zo met het schildersoptimum? Mij lijkt van niet, maar eerst iets anders.



Het vermogen kunst te ervaren doet hang naar macht en luxe verschrompelen. Mooi gezegd, maar is het waar. Er zou onderzocht kunnen worden in welke mate kunstkopers, of liever kunstminnaars, omdat ook minder vermogenden door regelmatige confrontatie met kunst ten goede beďnvloed zouden kunnen worden - hoewel ik in dit opzicht graag zou spreken van eerste levensbehoeften, laat ik dat vooralsnog achterwege om het verwijt van eigenbelang voor te zijn - minder bij verstorend maatschappelijk gedrag betrokken zijn. Mijn hypothese is dat de score bovenproportioneel in het voordeel van de kunstminnaars zal uitvallen.

Natuurlijk, dit is slechts het boekstaven van een symptoom, maar het geeft wel de mogelijkheid om de positieve rol van kunst in het maatschappelijk proces met feiten geschraagd te zien. Zou dat te maken hebben met het beleven van het schildersoptimum, maar nu van de kant van de toeschouwer? Ook toeschouwers zien met hun ogen, maar kijken met hun hersenen. Het ligt voor de hand dat hun perceptie niet overeenkomt met die van de schilder. In de kunstwereld worden verwoede pogingen gedaan dit te neutraliseren door uitleg. Dat lijkt mij onjuist, maar ik dwaal af.



In het NRC-Handelsblad van 22 januari j.l. las ik de stelling dat wetenschapsbeoefening een beschavingskenmerk is. Nu is onder beschaving van alles te verstaan, en daarnaast ben ik het er graag mee eens, maar de hamvraag is en blijft of het leidt tot aantoonbaar meer fatsoen, zowel staatsfatsoen als burgerlijk fatsoen. Dat is lastig aan te tonen, uiteindelijk hebben we het, als het er op aankomt, altijd over idealen en indrukken. Er zijn minder oorlogen, althans in Europa, maar daarvoor in de plaats zijn vele vormen van misdaad gekomen, waaraan burgers en overheden doorlopend blootstaan, čn zich aan bezondigen. Leg dat maar eens vast in een tabel.

Maar misschien biedt de schilderkunst hier soelaas. Ik heb de indruk dat kunstkopers čn -kijkers bovengemiddeld sociaal bewust zijn en zich netter gedragen dan hun doorsnee medeburger. Dat valt statistisch vrij eenvoudig aan te tonen door na te gaan hoe het zit met het crimineel gedrag van deze doelgroep, en die te vergelijken met zowel een groep burgers bijeengeraapt zonder specifieke criteria, als met een groep waarvan bekend is dat belangstelling voor kunst ontbreekt. Als mijn hypothese juist is zal er een rangorde van het criminaliteitsniveau zichtbaar worden.



Maar nu de schilder. Zou het kunnen, even afgezien van het vraagstuk of kunstenaars zelf goede mensen zijn, niet te verwarren met de discussie over het mogen waarderen van goede kunst van kunstenaars waarvan bekend is dat ze slecht waren, zou het kunnen dat kunstenaars waarvan je weet dat ze, behalve buitengewone schilders, ook goed van imborst zijn en op die manier, bewust of niet, de goegemeente via dat onbeschrijfbare optimum beďnvloeden in hun maatschappelijk gedrag. Ook dat valt te onderzoeken, bijvoorbeeld door van een scholengemeenschap de helft van de lokalen vol te hangen met reproducties van zijn werk en deze gegevens te koppelen aan de mate waarin de volwassen geworden leerlingen later schenken aan goede doelen, of niet, of ernstiger.

Hoor ik u zuchten? Verliest u dan niet uit het oog dat tot nu toe de noodzaak van kunst verdedigd wordt door goedbedoelde maar niet te staven beweringen over beschavingskenmerken en onmisbaarheid. Ik zou niets liever willen dan dat de vanzelfsprekendheid daarvan dusdanig was dat discussie niet noodzakelijk is, maar de recente ontwikkelingen in het onderwijs en de cultuursector wijzen op het tegendeel. Waaraan ik ook graag nederig toevoeg dat ik deze woorden niet had kunnen formuleren zonder het bestaan van de schilderijen van Olav Cleofas van Overbeek, waarmee ongewild -want ik denk dat hij de laatste is die invloed op maatschappelijke verheffing pretendeert- de geweldige impact zijn schilderijen een toets van bewijs hebben gekregen.




ABOUT THINGS

This catalogue has been published at the occasion of Olav Cleofas van Overbeek's solo exhibition, March 5 - April 2 2011, and is compiled and written by Koen Nieuwendijk. (16 pages, 29 full colour reproductions, ISBN 978 90 70402 36 5)


Quite a bit has been written and said about Olav Cleofas van Overbeek over the years. His paintings are self-effacing yet probing, and convey a subtle symbolism because of their monastic concentration while remaining utterly devoid of rhetoric. An egg harbours not only the concept of life, but also the question as to the origin of it all. At the same time an egg represents a naturally perfect shape along which even harsh light is subdued into taking a gentle course, with Van Overbeek adding an inexplicable element to all of this.

We have come to understand that what we see is the outcome of a partially unconscious process occurring in our brain. So how does this work for painted still lifes? The painter initially looks at the way the objects are set up, as a process which repeats itself when the observer looks at the painting. Both their brains are controlled by associations, fantasies and past experience. Tempted as I am to argue that this leaves little room for reality, this would be doing the process an injustice: the sum total of individual observations can in everyday life be described as a reality of sorts, or at least can be considered as a communis opinio of sorts.

In the case of paintings, however, or let’s confine ourselves to still lifes for the moment, there is at least one aspect that is different where the average observation is concerned, which is that the painter in his or her recreation of the arranged objects looks for an optimal experience, for a degree of “pull” which is not apparent from the set-up itself even though the laws of composition and an additional handful of practical rules apply. The artist’s quest to achieve this optimum is idealised, which implies that it is rated higher than the pursuit of tangible gains. Tangible gains have been known to be detrimental to others. Could it be that this also applies to the artistic optimum? I shouldn’t think so, but let’s address something else first.


The ability to experience art causes the yearning for power and luxury to dwindle. Impressive as this may sound, it is actually true. A survey could be carried out into the degree to which art buyers or rather, art lovers, as people of lesser means could likewise be influenced in a positive way as a result of coming face to face with art at regular intervals – in order to pre-empt allegations of my being self-serving, I will for now stop short of using the term “necessities of life” although that would be my expression of choice –, are less involved in socially disruptive behaviour. I would hypothesise that the outcome of the survey would disproportionately favour the art lovers.

Although this is of course a mere matter of chronicling a symptom, it does at the same time offer the opportunity of propping up with facts the positive role that art plays within the social process. Would this have something to do with experiencing the artistic optimum from the observer’s perspective? Observers too see with their eyes while looking with their brain. It would be obvious for their perception not to concur with that of the artist. Frenetic attempts are made in the world of the arts to neutralise this by explaining it, which appears to me to be wrong, but I digress.


The January 22, 2011 edition of NRC Handelsblad contained a proposition to the effect that the scientific practice is a characteristic of civilisation. Although “civilisation” is a multifarious sort of concept, in addition to which I would happily subscribe to the above proposition, the key question is, and will always be, whether this could be said to bring about demonstrably higher levels of decency on the part of the state and the general public alike. This is something that is not easily proven, as it is essentially always ideals and impression to which we refer. Although it is true that warfare has dwindled, at least where Europe is concerned, it has been replaced by a multitude of crimes in many formats to which the general public and the authorities are continually exposed and in which they continually indulge. Try laying that down in a table …

But perhaps painting is a consolation in this respect. It is my impression that those who buy art and those who like to look at art are more socially conscious and behave in a more decent way than the average member of the public. It shouldn’t be too difficult to produce the statistics to demonstrate this, by ascertaining what the criminal behaviour of the “artistically inclined” target group was and compare it with a group of civilians having been selected without specific criteria and with a group of people who were known for their lack of interest in art. If my proposition is accurate, a crime level “order of merit” would materialise.


And now for the actual painter. Leaving aside the question as to whether artists themselves are decent folk, which as an issue is not to be confused with that of whether it is alright to appreciate good art by artists who are known to have been bad people, could it be true that artists whom one knows to be upright people as well as extraordinary painters do indeed exert influence – be it consciously or otherwise – on the public at large, in terms of social behaviour, using this elusive artistic optimum? This too could be looked into in the context of a statistical survey, for example by plastering reproductions of the artist’s work all over one in every two classrooms at a comprehensive school and linking these data to the extent to which the (former) pupils later in life, as adults, would be donating money to charity, or not, or worse.

Is that a sigh I detect? Then please remember that the necessity of art to date has been defended with assertions – which are as well intentioned as they are impossible to substantiate – of characteristics of civilisation and indispensability. Although nothing would make me happier than to have the obviousness of this be such as to pre-empt the discussion altogether, recent trends in education and the cultural sector would suggest that the opposite is true.

To which I should like to add in all modesty that I could not possibly have formulated these words had it not been for Olav Cleofas van Overbeek’s paintings existing, which unwittingly (convinced as I am that he would be the last to pretend having any influence on social elevation) has conferred the test of proof on his work.
BACK